Historische beplantingen in de tuinen van Paleis Het Loo
De tuinen van Paleis het Loo zijn in 1984 zo authentiek mogelijk opgeleverd. Het
ontwerp is gebaseerd op het ontwerp uit de tijd van aanleg van de tuinen (ca.
1685) en ook de beplanting is verantwoord 17-de eeuws.
De tuinaanleg in zijn geheel werd voorbereid door de Werkgroep Tuinaanleg Paleis
Het Loo. Het beplantingsonderzoek werd gedaan door drs Carla Oldenburger.
|
|
Hoe pakt men nu zo'n historisch plantenonderzoek aan? Het antwoord op deze vraag
zal hieronder nader worden uitgewerkt. Allereerst moeten we ons realiseren dat
gekweekte planten uit 1684 er anders kunnen uitzien dan nu of zelfs geheel zijn
verdwenen. Planten van dezelfde botanische soort (species) kunnen door het
selecteren op bepaalde eigenschappen van aanzien veranderen. Dubbele bloemen en
bont gestreepte bloemen, zoals pioenen, tulpen, tuinanjers en rozen waren in de
17-de eeuw zeer in de mode en dat is nu minder het geval, alhoewel een terugkeer
duidelijk is te bespeuren. Om deze reden besloot de Werkgroep Tuinaanleg de
botanische soorten aan te houden bij de nadere keuze van planten, terwijl 20-ste
eeuwse vormen werden toegestaan. Bovendien kan de 17-de eeuwse naamgeving (van
voor de tijd van Linneus) soms voor grote problemen zorgen, omdat het ons lang
niet altijd meer duidelijk is welke plant is bedoeld. Plaatjes Hibiscus syriacus
op oude prent en thans in tuin.
Nu gaan we op zoek naar de verschillende historische documenten, die ons
inlichten over de planten die in 1684 of laten we zeggen aan het eind van de 17-
de eeuw werden toegepast in tuinen.
1) In de 'Inventarissen van de inboedels in de verblijven van de Oranjes 1557-
1795' bevindt zich een lijst van oranjerieplanten die in 1713 op Het Loo
aanwezig waren en daar al verbleven sinds 1685. Deze planten had Willem III
waarschijnlijk gekocht van de buitenplaats de Leeuwenhorst in Noordwijkerhout.
Men spreekt hier van 'orange, citroen ende andere uitheemsche boomen...
heesteren... gewassen...'
2) Dan vertelt de rondreizende Engelse arts Walter Harris ons in 1699 in zijn
boekje 'A description of King's Royal Palace at Loo' wat hij allemaal in de
tuinen van Het Loo heeft gezien, o.a. ranonkels, anemonen, auricula ursi,
narcissen, dubbele papavers, muurbloemen, riddersporen, zonnebloemen , O.I.Kers,
goudsbloemen en vele soorten voortreffelijk fruit. De zonnebloem werd overigens
al snel na de ontdekking van Amerika in Europa geteeld, o.a. in de tuin van
Eichstatt al voor 1613.
Dit zijn de enige bronnen die ons exacte gegevens over Het Loo zelf verschaffen,
maar meer dan dertig planten leveren deze lijsten niet op. Zijn er nu echt geen
andere geschriften die ons meer informatie verschaffen? Waar kunnen we dan nog
verder zoeken? Willem III mocht nog enige andere paleizen tot zijn eigendommen
rekenen, o.a. paleis Honselersdijk bij Naaldwijk, dat vanaf 1812 werd gesloopt.
Willem III had voor de tuinen bij dit paleis een prachtige collectie exotische
planten gekocht, die omstreeks 1688 door de schilder P. Cousijns in de vorm van
plantenaquarellen waren afgebeeld op grote losse vellen papier.
3) Deze verzameling aquarellen is getiteld 'Hortus Regius Honselaerdicensis'î of
'De Koninklijke tuin van Honselersdijk'. Hierin bevinden zich 24 soorten vaste
planten, 6 soorten bolgewassen, 8 soorten zaadplanten en 42 verschillende kas-
en oranjerieplanten.
4) De Haagse hovenier Jan van der Groen, die van 1665 tot 1670 bij Willem III in
dienst was voor de tuinen van Honselersdijk, heeft een 17-de eeuws tuinboek
geschreven dat ons nog verder op weg kan helpen met het vinden van 17-de eeuws
plantenmateriaal te gebruiken voor de aanplant van 17-de eeuwse tuinen. Hij
schreef het boek 'Den Nederlandtsen Hovenier' uit 1669. In dit boek zijn 40
pagina's beschrijvingen van planten te vinden, die in 1985 allemaal in de
huidige naamgeving zijn omgezet. De planten zijn verdeeld in bomen, planten,
bolbloemen en zaden en vele hiervan zijn in de tuinen van Het Loo toegepast. Dit
boek was rond 1700 een bestseller; het werd minstens 15 maal herdrukt tot 1721.
Om deze reden is het dan ook zeer aan te bevelen als gids voor laat-17-de eeuwse
beplantingen.
Als laatste zeer geschikte bron voor 17-de eeuwse tuinen zouden we nog de
plantenlijsten van de Amsterdamse en Leidse en Groningse botanische tuinen
kunnen noemen. De hierin uitgebreid beschreven planteninformatie kan zeker als
aanvulling dienen op de vier hierboven genoemde historische lijsten.
5) Het meest geschikte werk in dit verband is de 'Horti medici Amstelodamensis
rariorum plantarum historia' (= De exotische planten van de Amsterdamse hortus)
in 2 delen, 1697/ 1701; de aquarellen van de planten die in die tijd in de
Amsterdamse tuinen groeiden, dienden tevens ter illustratie van deze boeken; zij
werden voor het grootste deel vervaardigd door Jan Moninckx; voor een klein deel
door Alida Withoos.
Hieronder worden nu enige voor de tijd zeer typerende soorten vermeld; voor
uitgebreide lijsten met ca. 500 plantensoorten wordt u verwezen naar
Oldenburgers Historische Tuinen.
Bol- en Knolgewassen
Vooral tulpen in gebroken kleuren en papegaai- en parkiettulpen met grillig
gevormde bloemdekbladeren waren in de 17-de eeuw erg in de mode. U zult ze dan
ook in het voorjaar uitgebreid tegenkomen in de tuinen van Het Loo. Verder veel
tuinanemonen, Leliesoorten, Fritillaria's, Narcissen, Hyacinthen, Crocussen etc.
Vaste planten
Allereerst valt op de toepassing van Hibiscus syriacus en de tuinaurikels
(Primula X pubescens) in vele gestreepte soorten. Ook tuinanjers gevuld en
gestreept. Verder de Amerikaanse klimmer Campsis radicans, Rosa centifolia
'Muscosa', Kniphofia uvaria, Helleborus niger en foetida, etc.
Een- en tweejarige planten
Weer een voorbeeld van een plant die in dubbele vormen en in alle kleuren wordt
toegepast, is de Papaver rhoeas. Bijzonder in die tijd waren zeker planten uit
Amerika afkomstig: de zonnebloem, de O.I.Kers, Tropaeolum minus en sinds 1682
Tropaeolum majus, en Tagetes erecta. Ook de Convolvulus tricolor is het
vermelden waard omdat deze door Van der Groen princenbloem werd genoemd. Ook de
Lobelia erinus tenslotte is een aardige opvulplant.
Bijzondere planten
Het overgrote deel van de kuipplanten bestond ook toen al uit Laurierbomen en
Oranjebomen. De derde plaats werd ingenomen door de Mirte, gevolgd door de
Granaatappel. Deze planten zijn duidelijk als oranjerieplanten te bestempelen;
ze overwinteren in een oranjerie en kunnen een temperatuur van 1 / 2 graden C.
verdragen. De tropische planten, die in die tijd via de VOC uit Z-Africa of uit
Ned. India en Suriname werden aangevoerd, hadden echter een gelijkmatig
gestookte kas (ca. 16 / 17 graden C.) nodig en deze kassen kwamen in gebruik
vanaf 1685. In deze zgn. stookkassen werden de tropische planten 's winters
bewaard. Voor alle planten geldt dat ze pas na IJsheiligen buiten mogen worden
uitgestald. De bekendste soorten zijn Agapanthus, Arbutus, Chamerops, Agave,
Aloe, Canna, Cinnamon en Cycas revoluta, een van de eerste planten die uit Japan
werden ingevoerd.
Colofon:
Tekst: Carla Oldenburger van Bureau Oldenburgers Historische Tuinen.
Illustraties: historische afbeeldingen overgenomen uit oude boeken in bezit van
Bibliotheek Wageningen UR / Speciale Collecties en gefotografeerd door de
fotodienst van Wageningen UR; hedendaagse afbeeldingen gemaakt door Oldenburgers
Historische Tuinen.
|